In Nederland groeit de belangstelling voor het onderwerp 'kinderen en natuur'. Zo verscheen een bundeling van 'zes antwoorden op de vraag wat een topervaring is, waarom topervaringen gewenst zijn, en of en hoe je de voorwaarden kunt scheppen voor een topervaring' (door Jana Verboom, Sjerp de Vries, Henk van Blitterswijk, Petra Jansen, Kris van Koppen, Agnes van den Berg, Riyan van den Born en Kees Both). Belangrijk is ook de maatschappelijke coalitie 'Jongeren en natuur als nationale uitdaging' die momenteel een actie naar de Tweede Kamer voeren. Zie www.nationaleuitdaging.nl.

“De helende
en therapeutische
kracht van de
natuur vormt
de hoeksteen
van Louv's visie”


Library Journal
Hieronder teksten van de noten over de Nederlandse situatie zoals die in Het laatste kind in het bos staan. Ze zijn van de hand van Jana Verboom (Alterra), Kees Both (bestuurslid St. Oase, promotieonderzoek Universiteit Utrecht) en Karin Sollart (Wettelijke Ondserzoekstaken Natuur & Milieu).
Rechts vindt u een lijst van de thema's waarbij deze noten zijn geschreven. In deze noten staan tal van literatuurverwijzingen en websites.


Natuur en stad
Natuur en kind
Natuur en onderwijs
Natuur in Nederland
Natuur en gezondheid
Natuur en spiritualiteit

NATUUR EN STAD

Natuur en stad
In ons land wordt door plantenecologen bij de classificatie van leefmilieus onderscheid gemaakt tussen plantengeografische districten. De stad wordt hierbij apart behandeld als het ‘urbaan district’. In de stad komen veel bijzondere soorten planten voor. Zo is onlangs ontdekt dat onder putdeksels zeldzame varensoorten voorkomen die elders in het land vrijwel verdwenen zijn. (Vara’s Vroege Vogels 7 januari 2007: ‘Ten minste zes varensoorten die vermeld staan op de Rode Lijst van bedreigde plantensoorten blijken zich opperbest te voelen in de rioolputten van Utrecht. Dat blijkt uit een inventarisatie door floron-medewerker Wim Vuik, die gedurende tweeëneenhalf jaar alle 60.000 putten van de stad geïnventariseerd heeft. Tot zijn grote verbazing vond hij niet alleen veel exemplaren van de bedreigde Zachte Naaldvaren, de Zwartsteel en de Blaasvaren, maar ook de Tongvaren, de IJzervaren en zelfs de Gebogen Driehoeksvaren kunnen zich er prima handhaven.’ Zie ook: Ton Denters, Stadsplanten; veldgids voor de stad. (’s-Graveland 2004). Ook bewoont een rijk scala aan dieren onze steden: vleermuizen vestigen zich al eeuwen lang op kerkzolders, onder dakpannen en in spouwmuren, egels scharrelen rond in tuinen en parken en de vijvers en grachten zijn vol leven. Van recenter datum is het broeden van scholeksters en andere vogels op platte daken en de opmars richting stad van oorspronkelijk schuwe bosdieren zoals de merel, ekster en Vlaamse gaai, evenals de vos en de das, die met name in Engeland, maar ook in Nederland geleerd hebben hun schuwheid af te schudden en hun kostje in tuinen en parken bij elkaar te scharrelen. Zie het boek van de Amsterdamse stadsecologen Johan van Zoest en Martin Melchers, Leven in de stad (Utrecht 2006).

Literatuur
Erica Koning en Siebrand Tjallingii, Ecologie van de stad; een verkenning. (Den Haag 1991).
Peter Bergakker en Jos Lampert, Natuur als buur; methode voor natuurontwikkeling in steden (Den Haag 1994).
Martin Woestenburg, Arjen Buijs en Wim Timmermans (red.), Wie is bang voor de stad? Essays over ruimtelijke ordening, natuur en verstedelijking (Wageningen 2003).

Ecologische Hoofdstructuur
De zogeheten Ecologische Hoofdstructuur is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden en verbindingen daartussen en vormt de basis voor het Nederlandse natuurbeleid. Doel is de natuurwaarden in ons land een robuuste basis te verschaffen. De netwerken lopen in sommige gevallen door tot in de stad.

Dieren in de stad
Over het algemeen heeft men bij ons weinig last van de dieren in de stad, omdat ze zich beperken tot parken en tuinen (vogels), een ander dag- en nachtritme hebben dan wij (vleermuizen, vossen, dassen, egels) of hoog in de lucht vliegen (gierzwaluwen). Problemen zijn er met duiven en spreeuwen die met hun ontlasting straten, pleinen en auto’s bevuilen. In het oosten van het land hebben zich enkele incidenten voorgedaan waarbij steenmarters kabels hebben doorgeknaagd onder de motorkap van auto’s. En in sommige gemeenten woedt de discussie over het afschieten van eksters en Vlaamse gaaien omdat ze te veel jonge vogels zouden opeten.

Kindvriendelijke steden
Delft is samen met 137 andere steden wereldwijd toegetreden tot de ‘child friendly cities’. (Bron: www.childfriendlycities.org). Er wordt in Delft veel aandacht besteed aan jeugd en groen in de stad.
Zie ook www.kindvriendelijkesteden.nl.

OMO-Buitenspeelbond
Interessant is de OMO-Buitenspeelbond: een initiatief van wasmiddelenfabrikant OMO en sportkoepel noc*nsf en onderdeel van de internationale OMO-campagne “Vuil is goed”. OMO gelooft namelijk dat vuil worden goed is voor de ontwikkeling van kinderen.’ (Bron: www. buitenspeelbond.nl). OMO financiert ook onderzoek naar buitenspelen.

Kinderboerderijen
In veel Nederlandse gemeenten bestaan kinderboerderijen waar kinderen onder schooltijd en daarbuiten kennis kunnen maken met boerderijdieren. Vaak worden er ook andere natuur- en milieueducatieve activiteiten aangeboden. Daarnaast is het pilotproject ‘boerderijschool’ in Zutphen, Doetinchem en Vorden van start gegaan, waarbij kinderen onder schooltijd een dagdeel per week op een boerderij werken en leren. Zie daarover Ceciel Verheij, ‘De boerderij als klaslokaal.’ In: Mensenkinderen, november 2003 (ook op www.jenaplan.nl/leerkrachten/ontwikkelingen basisonderwijs.) In Zijldijk staat ook een boerderijschool, waarbij ‘de ambiance van de boerderij de mogelijkheid biedt met de kinderen te werken in de natuur.’ Zie: www.lokaalloket.nl/tenboer/aanbieder.php?id=2494. Her en der zijn er ook projecten waarbij kinderen uit het bijzonder onderwijs en vaak met complexe problematiek (ADHD, autisme) meehelpen op de boerderij (of zorgboerderij) en baat hebben bij het directe contact met de natuur en de dieren. Zie hierover Kees Both, ‘Natuur als bondgenoot bij zorgverbreding.’ In: De Wereld van het Jonge Kind, maart 2007. Ook op www.springzaad.nl. Ten slotte noemen wij hier de organisatie De Smaak te Pakken, een ‘mobiel kooklaboratorium’ dat lesprogramma’s ontwikkelt voor leerlingen op de basisschool, onder andere op boerderijen. Door het gebruik en proeven van de natuurlijke ingrediënten wordt de nieuwsgierigheid naar de herkomst en het seizoen waarin ze groeien opgewekt en ontstaat een bredere kijk op de natuur als geheel. (Zie: smaaktepakken.nl).

Dieren
Over het algemeen heeft men bij ons weinig last van de dieren in de stad, omdat ze zich beperken tot parken en tuinen (vogels), een ander dag- en nachtritme hebben dan wij (vleermuizen, vossen, dassen, egels) of hoog in de lucht vliegen (gierzwaluwen). Problemen zijn er met duiven en spreeuwen die met hun ontlasting straten, pleinen en auto’s bevuilen. In het oosten van het land hebben zich enkele incidenten voorgedaan waarbij steenmarters kabels hebben doorgeknaagd onder de motorkap van auto’s. En in sommige gemeenten woedt de discussie over het afschieten van eksters en Vlaamse gaaien omdat ze te veel jonge vogels zouden opeten.

Stadsplanten
In de stad komen veel bijzondere soorten planten voor. Zo is onlangs ontdekt dat onder putdeksels zeldzame varensoorten voorkomen die elders in het land vrijwel verdwenen zijn. (Vara’s Vroege Vogels 7 januari 2007: ‘Ten minste zes varensoorten die vermeld staan op de Rode Lijst van bedreigde plantensoorten blijken zich opperbest te voelen in de rioolputten van Utrecht. Dat blijkt uit een inventarisatie door floron-medewerker Wim Vuik, die gedurende tweeëneenhalf jaar alle 60.000 putten van de stad geïnventariseerd heeft. Tot zijn grote verbazing vond hij niet alleen veel exemplaren van de bedreigde Zachte Naaldvaren, de Zwartsteel en de Blaasvaren, maar ook de Tongvaren, de IJzervaren en zelfs de Gebogen Driehoeksvaren kunnen zich er prima handhaven.’ Zie ook: Ton Denters, Stadsplanten; veldgids voor de stad. (’s-Graveland 2004). Ook bewoont een rijk scala aan dieren onze steden: vleermuizen vestigen zich al eeuwen lang op kerkzolders, onder dakpannen en in spouwmuren, egels scharrelen rond in tuinen en parken en de vijvers en grachten zijn vol leven. Van recenter datum is het broeden van scholeksters en andere vogels op platte daken en de opmars richting stad van oorspronkelijk schuwe bosdieren zoals de merel, ekster en Vlaamse gaai, evenals de vos en de das, die met name in Engeland, maar ook in Nederland geleerd hebben hun schuwheid af te schudden en hun kostje in tuinen en parken bij elkaar te scharrelen. Zie het boek van de Amsterdamse stadsecologen Johan van Zoest en Martin Melchers, Leven in de stad (Utrecht 2006).




NATUUR EN KIND

Onderzoek
In Nederland is geen structureel meerjarenonderzoek naar kinderen en natuur. Vaak gaat het om eenmalige projecten zoals afstudeervakken van studenten (zie voor voorbeelden www.groenetoekomst.nl/downloads), het eerdergenoemde onderzoek naar buitenspelen van OMO, en het lnv-consumentenplatform. (Zie www.minlnv.nl) Sinds 2007 is er een lnv-onderzoeksprogramma Jeugd, Natuur en Gezondheid, nadat eind 2005 kamervragen waren gesteld over de grote kloof tussen jeugd en natuur. Een uitzondering vormt het Centraal Bureau voor de Statistiek, dat systematisch bijhoudt hoe vaak jongeren in de natuur komen binnen hun onderzoek naar vrijetijdsbesteding. (Bron: www.cbs.nl). Bestaande wetenschappelijke gegevens zijn ook samengebracht in het advies ‘Recht op groen’ (2005) door de Raad voor het Landelijk Gebied, een adviesraad van de regering. Het heeft betrekking op ‘de groene kwaliteit van de openbare ruimte’ (in steden en dorpen) (www.rlg.nl/adviezen/2005). Men concludeert dat ‘de groene kwaliteit achterblijft bij de vraag’, ook wat de mogelijkheden van spelen in het groen betreft. Uit het zogeheten YoungMentality-onderzoek in 2005 van marketingbureaus Motivaction en Young Works en uitgeverij Sanoma Young kwam het opmerkelijke gegeven naar voren dat jongeren zich meer zorgen maken over natuur en milieu dan over de dreiging van een terroristische aanslag. Van alle jeugd tussen 8 en 18 jaar is 65% bang dat er te veel natuur in Nederland verdwijnt. Economische zorgen scoorden het hoogst: 73% is bang dat alles steeds duurder wordt. Daarna volgt de zorg over natuur en milieu. Die is des te opvallender omdat slechts 17% van de jongeren zegt graag in de natuur te verkeren. Martijn Lampert van Motivaction: ‘Ze willen het bos niet in, maar ze vinden wel dat het Groene Hart moet blijven. Jongeren zijn opgevoed met een sterk natuurbesef. Ze zijn beïnvloed door het beeld van de natuur dat ze kennen uit Disney- en andere films. Veel kinderen zijn op de basisschool Ranger van het Wereldnatuurfonds geweest. Die invloed blijft bestaan.’ Voor stadsjongeren is het park heilig, zegt Huub Nelis van Young Works. Jeugd uit de Randstad maakt zich meer zorgen over het verdwijnen van de natuur, waarschijnlijk omdat ze hun leefomgeving zien verstedelijken. www.klimaatnieuws.nl/200511/natuur_milieu_jeugd_zorgen_terrorisme.php

Spelen
In de meeste buurten zijn wel voorzieningen waar kinderen van de basisschoolleeftijd kunnen spelen: klimrekken, wipkippen, schommels op een ondergrond van gras of tegels. Problemen zijn er onder meer in Vinex-wijken, waar op groen en speelruimte is bezuinigd (Toine Heijmans, La vie Vinex. Over leven in een nieuwbouwwijk (Amsterdam 2007), en verder is er weinig voor kinderen die de wipkip zijn ontgroeid. Niet overal kan worden gevoetbald en geskeelerd. Jongeren vanaf 12 jaar zijn veelal niet welkom op de kinderspeelplaatsen. Typisch Nederlands is ook de problematiek van hondenpoep in openbaar groen. Hutten bouwen en in bomen klimmen is op veel plaatsen niet toegestaan (bovendien is dit soort groen zeker in de steden weinig in de buurt aanwezig). Bekend zijn de bordjes met daarop de tekst: ‘Het is niet toegestaan zich buiten de paden te begeven’, en ‘Het is verboden om: bloemen, bladeren en vruchten te plukken of te vervoeren; takken af te snijden; bomen, struiken en andere gewassen te beschadigen; hout te sprokkelen, te zwemmen, vuur te maken of te roken, orde en rust te verstoren, wild of vogels te verontrusten, loslopende honden bij zich te hebben, te vissen, papier en ander afval achter te laten.’ Nieuw is de ontwikkeling van groene hangplekken, een initiatief van Stichting wAarde: www.waarde.nl.
Andere interessante sites: Jantje Beton: www.jeugdfonds.nl
Natuurlijk buitenspelen: www.buro-blad.nl

Gele eenden
Opmerkelijk is het Duitse onderzoek waaruit blijkt dat een deel van de Duitse kinderen denkt dat eenden geel zijn. Blijkbaar zien ze veel vaker eenden in boeken en cartoons dan echte eenden. Door het onderzoek periodiek te herhalen kan geconcludeerd worden dat de vervreemding van de natuur doorzet: telkens meer kinderen denken dat eenden geel zijn. (Bron: R. Brämer, Jugendreport Natur 2003, Nachhaltige Entfremdung. Philips Universität Marburg 2003). Een klein onderzoekje in Nederland onder elfjarigen leerde dat deze over het algemeen wel weten hoe een eend er uitziet. Maar wat voor kleur bloeiende heide heeft, dat was voor velen toch te moeilijk. (Bron: afstudeerverslag van Sander Slots 2006 te downloaden via www.groenetoekomst.nl).
Zie over antropOMOrfie ook Kees Both, ‘Boeiend en eng. Lezen in het boek van de natuur.’ In: H. van Lierop-Debrauwer et al. (red.), Het paard van Troje. Niet-schoolse teksten in het onderwijs (Den Haag 1996). Ook op www.cnme.nl.



NATUUR EN ONDERWIJS

Natuuronderwijs

In Nederland is de variatie tussen scholen wat betreft natuuronderwijs bijzonder groot. Een en ander hangt af van het type school, maar ook van de voorkeuren van individuele schoolhoofden en leerkrachten. Gemiddeld genomen vindt men op Vrije - en Jenaplanscholen natuurbeleving het belangrijkst, en in conventionele scholen het minst belangrijk. Ook de omgeving van de school speelt een rol, zowel letterlijk als figuurlijk. Actieve natuur- en milieueducatiecentra en ivnafdelingen (www.ivn.nl) en Stichting Veldwerk Nederland organiseren samen met scholen activiteiten rond natuurthema’s. Scholen kunnen daar ook terecht voor leskisten, lesideeën, materialen en vrijwilligers voor natuureducatie.
Niet elke gemeente heeft zo’n centrum of afdeling. Toegankelijke natuur (groen) in de nabijheid van school is een andere faciliterende voorwaarde. Zie daarover www.springzaad.nl.

Ook Staatsbosbeheer (www.staatsbosbeheer.nl) ontvangt op een aantal plaatsten schoolklassen voor belevingsgericht buitenonderwijs, en er zijn organisaties die natuurwerkweken aanbieden (o.a. Veldwerk Nederland). Hoewel alleen al het ivn 17.000 leden heeft, is slechts een fractie daarvan actief in de natuureducatie.

Buitenschools
Onder meer de Jeugdbonden voor Natuurstudie (NJN en JNM), de Wildzoekers, NIVON, Scouting en YMCA organiseren buitenschoolse activiteiten voor kinderen en jongeren, zoals meerdaagse kampen en natuurtochten. Stichting Veldwerk Nederland en enkele grote gemeenten met buitencentra organiseren natuurwerkweken onder schooltijd, terwijl Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, ivn en nme-centra ook natuuractiviteiten van een halve of hele dag aanbieden.
Zie: www.njn.nl, www.jnm.nl, www.wildzoekers.nl, www.nivon.nl, www.scouting.nl, www.ymca.nl, www.veldwerknederland.nl, www.ivn.nl, www.natuurmonumenten.nl

Howard Gardner
De visie van Howard Gardner krijgt in Nederland en Vlaanderen relatief veel aandacht. Het kan een uitgangspunt zijn om recht te doen aan verschillende talenten van kinderen. Lerarenopleidingen geven er cursussen over, zowel in de initiële opleiding als binnen de nascholing. Onderwijsbegeleidingsdiensten hebben het in hun dienstenpakket, met name de pionier op dit terrein: het Regionaal Pedagogisch Centrum Zeeland. (Zie www.meervoudige-intelligentie.nl). Binnen het werk van landelijk opererende instellingen als het Algemeen Pedagogisch Centrum (www.aps.nl) en het Gereformeerd Pedagogisch Centrum (www.gh-gpc.nl) heeft het een prominente plek. Er is ook kritiek vanuit de hoek van psychologen. Zie het artikel ‘Meervoudige intelligentie is volgens wetenschappers flauwekul’ (www.pedagogiek.net). De veronderstelde neurologische basis zou niet aangetoond zijn.

Buitenruimte
In Nederland varieert de inrichting van de buitenruimte van scholen enorm, met als ene uiterste uitsluitend asfalt en beton, en als andere uiterste de schoolnatuurtuin waar natuuronderwijs en onderwijs in andere vakken kan worden gegeven. Het boek Vrij spel voor natuur en kinderen, door Willy Leufgen en Marianne van Lier (Utrecht 2007) geeft voorbeelden van tal van scholen met bijzondere buitenruimten in binnen- en buitenland, plus een overzicht van de mogelijkheden die er zijn en een stappenplan om de natuur onder de tegels vandaan te toveren.

Toetsen
In een advies pleit de Biologische Raad (Biologieonderwijs: een vitaal belang, Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen 2003) voor meer en beter onderwijs met ‘hart, hoofd en hand’ in plaats van alleen het invullen van werkbladen of een wekelijks kwartiertje televisiekijken (‘nieuws uit de natuur’ of ‘huisje-boompje-beestje’). Op zich zijn dat prima programma’s, maar kennis beklijft het beste als je er letterlijk zelf mee aan de slag kan (zelf ervaren, zelf beleven). Een nieuwe nota natuur- en milieueducatie is in voorbereiding (Zie website van ministerie van lnv), maar scholen hebben veel ruimte om zelf keuzes te maken, en steeds meer onderwerpen om uit te kiezen. Veel scholen doen mee aan de cito-toets in groep 8, op grond waarvan een advies voor vervolgonderwijs wordt gegeven. Omdat de score alleen gebaseerd is op kennis en vaardigheden op het gebied van lezen, schrijven en rekenen, krijgen deze vakken op de meeste scholen topprioriteit ten koste van natuureducatie, belevingsgericht onderwijs en creatieve vakken.
Zie ook Kees Both, ‘Over standaarden en toetsen. Kritische buitenlandse stemmen.’ In: Ad Boes en Kees Both, Een streep door de eindtoets (2002). Te vinden op www.vernieuwingsonderwijs.nl.

Betrokken
Maarten ’t Hart (uit het verhaal ‘De waterstaafwants’): Geduldig wees ik de acht studenten plant na plant: smeerwortel, veldereprijs, akkerhoornbloem, vogelwikke, en weer kwam die vraag: ‘Waarom moeten we dat eigenlijk weten?’ ‘Je hoeft het niet te weten’, zei ik, ‘ik vertel het alleen maar omdat ik het vanzelfsprekend vind dat je het weet, niet omdat je een bioloog bent of wordt, maar omdat je ook bij de natuur hoort, en moet weten met wie je samen het leven deelt, en omdat je, door die namen te leren kennen, oog krijgt voor wat er groeit, en daardoor misschien een beetje liefde voor al die verschillende planten en dieren krijgt waar zoveel mensen onverschillig aan voorbij lopen.’ ‘Maar je hoeft toch niet te weten hoe al die plantjes heten om ze mooi te vinden?’ ‘Nee’, zei ik, ‘maar ze moeten wel een naam voor je hebben, desnoods zou je ze zelf namen kunnen geven, maar als ze geen naam hebben, zie je ze ook niet, dan loop je eraan voorbij, dan kunnen ze er evengoed niet staan.’
Kees Both maakt in dat verband onderscheid tussen naamgeven van planten en dieren als etiketteren en naamgeven als groeten. Dat laatste heeft te maken met betrokkenheid en verbondenheid.

Informatie
Voor meer informatie, zie ook publicaties op www.stichtingoase.nl - springzaad literatuur en www.jenaplan.nl - leerkrachten/ontwikkelingen basisonderwijs/wereldoriëntatie, en de boeken Groen Verschiet (1990) en Natuur en milieu uit de eerste hand (1994) van M. Margadant van Arcken.



NATUUR IN NEDERLAND

Recht op Groen
In Nederland wonen de meeste gezinnen wel binnen loopafstand van enig groen, maar is er genoeg? In het advies Recht op Groen van de Raad voor het Landelijk Gebied uit 2005 wordt geconcludeerd dat met name oude wijken over te weinig groen beschikken en dat dit groen slecht bereikbaar is voor kinderen, weinig draagkrachtigen en gehandicapten. Op gemeenteniveau blijkt dat het richtgetal van 75m2 groen per woning (Nota Ruimte) door de meeste van de grote gemeenten (waaronder de grootste vier) niet wordt gehaald. (Bron: www.rlg.nl, zie ook: www.mnp.nl: Milieu- en Natuurcompendium: Beschikbaarheid groen in en om de stad, en (op dezelfde site) de interactieve atlas ‘Beschikbaarheid groen in de stad’).
Het richtgetal 75m2 komt uit een publicatie van Middelkoop et al. (2002). Rood en groen in balans; een verkenning van groennormen en alternatieve benaderingen. Stichting Recreatie, Kennis en Innovatiecentrum, Den Haag.

Natuurgebieden
In Nederland wordt gestreefd naar een maximale openstelling voor recreanten, vooral sinds de nota Natuur voor Mensen, Mensen voor Natuur (lnv 2000), maar internationale verdragen verplichten ons tegelijkertijd kwetsbare soorten en biotopen te beschermen, wat soms leidt tot compromissen zoals het afsluiten van gebieden in de broedtijd of juist in de winter. Verschillende eigenaren gaan hier ook verschillend mee om. Staatsbosbeheer en gemeenten stellen de meeste terreinen open, respectievelijk 92% en 95% van hun bezittingen, gevolgd door particulieren (84%). Natuurmonumenten, de Provinciale Landschappen en waterleidingbedrijven vormen de middenmoot met respectievelijk 78%, 76% en 70%. Defensie stelt het minste aantal terreinen open: 52%. In de Randstadprovincies Noord- en Zuid- Holland, Utrecht en Flevoland zijn naar verhouding het minste aantal natuurterreinen opengesteld, in de drie zuidelijke provincies het meeste, en in het noorden zijn veel terreinen tijdelijk opengesteld vanwege het broedseizoen. Droge natuur  is meer opengesteld dan natte natuur vanwege de toegankelijkheid. Rond de grote steden zijn er relatief veel terreinen afgesloten, maar het betreft dan vaak kleine gebiedjes die weinig aantellen in het totale areaal. (Bron: mnp-NatuurCompendium, www.mnp.nl). Bij de grootste vier terreineigenaren is 9% van het gebied volledig opengesteld, dus ook buiten de paden. (Bron: www.stichtingrecreatie.nl). Ook wordt in veel gebieden zonering toegepast, dat wil zeggen dat recreanten door een gebied worden ‘geleid’, waarbij kwetsbare stukken worden ontzien. De recreant zelf heeft dit niet eens altijd in de gaten. Zie bijvoorbeeld: B.H.M. Elands, R. van Marwijk, R. Jochem. R. Pouwels, T.A. de Boer (2005), Natuur in Nederland: recreatie en biodiversiteit in balans; een modelstudie naar recreatiekwaliteit, Alterra-rapport 1220. Te downloaden via www.alterra.nl.

wandel- en fietstochten
In Nederland neemt het aantal bezoekers aan natuurgebieden sinds begin jaren ’90 af (CBS Day Trip Survey: Visits to nature and forest areas, Elands en van Koppen 2007). Echter: de aantallen wandel- en fietstochten zijn wel toegenomen, zie WOT-achtergronddocument bij Natuurbalans 2006 (nr. 46) van Karin Sollart: ‘Het aantal wandel- en fietstochten is sinds 1990 toegenomen. Het aantal fietsdagtochten is toegenomen van 37 miljoen in 1990 naar circa 48 miljoen in 2002. De groei van het aantal wandeltochten was tussen 1990 en 2002 ongeveer 10%, van 60 miljoen naar 66 miljoen, met in 1995 een tijdelijke teruggang (59 miljoen). Overigens maken veel wandelaars en fietsers een tocht van anderhalf uur of minder, waardoor ze niet in de cbs-statistieken worden meegenomen (Goossen, 2005; cbs-Dagtochtenonderzoek). Die hanteren namelijk een ondergrens van 2 uur.’ Nederlands bekendste Nationale Park, de Hoge Veluwe, kampte met teruglopende bezoekersaantallen (Bron: jaarverslag De Hoge Veluwe 2003/2004), maar de laatste jaren hebben de aantallen zich gestabiliseerd.

Vrije tijd
Nederlanders vullen tweederde van hun vrije tijd met mediaconsumptie. Dat is ongeveer vijf uur per dag. De helft hiervan wordt besteed aan tv-kijken (dagelijks gemiddeld 150 minuten). De andere helft gaat naar internetten (43 minuten), muziek luisteren, lezen, gamen en bellen. Dat blijkt uit een onderzoek van de Stichting PrOMOtie Televisiereclame (spot uit 2007). Vooral de volwassenen brengen veel tijd achter beeldschermen en kranten door. Zij zijn gemiddeld nog maar 12 minuten per dag buiten actief en 12 minuten aan het sporten. Kinderen van zes tot twaalf jaar besteden ongeveer evenveel tijd aan school, spelen en media; gemiddeld rond de drie uur per dag. Jongeren in de leeftijdsgroep van dertien tot negentien jaar kopiëren geleidelijk het gedrag van de volwassen, aldus de onderzoekers. (Bron: anp). De meeste kinderen kijken tussen de 10 en 20 uur per week televisie. (Bron: www.cbs.nl). Er zijn wel enige verschuivingen in mediagebruik onder jongeren. Zie: www.marketingfacts.nl/berichten/mediagebruik_van_jongeren_in_2005/ (Bron: Van Qrius, Jongeren 2005).

Vrijwilligers
Ook in Nederland vergrijzen de leden en met name de vrijwilligers in het natuur- en landschapsbeheer. (Bron: Natuurbalans 2003, Natuurbalans 2006, met referentie naar De Witt 2005). Een aantal Nederlandse natuur- en milieuorganisaties heeft hier consequenties uit getrokken en werft actief jonge leden door daar speciale activiteiten voor te ontwikkelen. (Bron: Annick de Witt 2005: Van vervreemding naar verantwoordelijkheid). Overigens zijn de aantallen vrijwilligers voor natuur en landschap de afgelopen jaren wel toegenomen. Ook de aantallen leden van natuurbeschermingsorganisaties zijn vanaf 1990 tot nu toegenomen. (Natuurbalans 2006).

Verbod
In de meeste natuurgebieden in Nederland is het verboden om dingen te plukken of te verzamelen, zoals bessen, paddenstoelen, of kastanjes. ‘Het is niet toegestaan zich buiten de paden te begeven, en het is verboden om: bloemen, bladeren en vruchten te plukken of te vervoeren; takken af te snijden; bomen, struiken en andere gewassen te beschadigen.’ Toch wordt het in geval van kastanjes en bosbessen door veel terreinbeheerders gedoogd, zolang er niets kapot wordt gemaakt. Een idee van Stichting wAarde om speciale ‘smulbossen’ aan te leggen waar men vrij noten en vruchten mocht verzamelen werd recent door de pers weggehoond. Zie ook Michiel Bussink, Lekker Landschap (Beek-Ubbergen 2006).

Speelbossen
In Nederland zijn de laatste jaren ongeveer 40 speelbossen aangelegd waar kinderen kunnen spelen met natuurlijke materialen (zoals stenen, water, zand en hout), in bomen kunnen klimmen en hutten kunnen bouwen. Bij Stichting Recreatie is de publicatie Vrij spel voor het speelbos te downloaden, ‘vol tips voor gemeenten om zelf meer ruimte in te richten waar kinderen zich kunnen uitleven en spelenderwijs de geheimen van de natuur kunnen ontdekken.’ (Bron: www.stichtingrecreatie.nl).
Naast deze volgens sommigen overgereguleerde speelbossen lijkt er ook behoefte te zijn juist aan het ontbreken van regulatie. De Utrechtse/Wageningse hoogleraar Kris van Koppen, Thomas van Slobbe van Stichting wAarde, en anderen zijn warme voorstanders van het behouden of aanleggen van niemandslandjes, vergeten overhoekjes, braakliggende terreintjes en dergelijke in de stad: percelen die geen bestemming hebben zodat ze kunnen dienen als decor voor natuurlijk buitenspel. In het boek Niemandsland verkent David Hamers wat dat toch is met die veldjes buiten onze aangeharkte wereld: ‘We zijn op het veldje, een stukje niemandsland waar het altijd zaterdag of woensdagmiddag is. Op het veldje ben je vrij. We eten om half zes. Toch hebben we zeeën van tijd. Het veldje doet iets met de tijd’ (Rotterdam 2006).

Ecologische Hoofdstructuur
De zogeheten Ecologische Hoofdstructuur is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden en verbindingen daartussen en vormt de basis voor het Nederlandse natuurbeleid. Doel is de natuurwaarden in ons land een robuuste basis te verschaffen. De netwerken lopen in sommige gevallen door tot in de stad.



NATUUR EN GEZONDHEID

Teken
Ook in Nederland is een bezoek aan de natuur niet zonder gevaar. De grootste en meest reële boosdoener is de teek, die de ziekte van Lyme kan overbrengen op de mens. Het aantal teken dat besmet is met de Borrelia-bacterie is in 2006 in Nederland sterk toegenomen, zo constateren onderzoekers van Wageningen ur. Beten van besmette teken kunnen bij mensen de ziekte van Lyme veroorzaken. Het percentage teken dat drager is van de bacterie varieert sterk van plaats tot plaats en bedraagt gemiddeld 23,6%, met een uitschieter naar 50%. Teken zijn het hele jaar door aangetroffen, vooral in bossen, maar ook opvallend vaak in tuinen. Tuiniers en wandelaars lopen daardoor de meeste tekenbeten op. (Bron: Teken, tekenbeten en Borrelia-infecties in Nederland. Periode juli – december 2006; De Natuurkalender. Wageningen ur, Wageningen, april 2007). Het advies luidt: goed controleren na thuiskomst, de teek die eventueel al vastgebeten zit binnen 24 uur vakkundig verwijderen (bijvoorbeeld met een speciale tekenpincet) en in geval van het ontstaan van een rode vlek of kring de dokter waarschuwen. Knaagdieren kunnen de ziekte leptospirose verspreiden (modderkoorts, ziekte van Weil), dit gaat gepaard met koorts en kan – net als Lyme – met antibiotica worden behandeld. Verder wordt gewaarschuwd om geen bramen, bosbessen en dergelijke rauw te eten vanwege de vossenlintworm, maar deze komt alleen bij vossen in de grensstreek met Duitsland voor en besmetting van mensen is zeer zeldzaam. (Bron: www.rivm.nl).

Een realistisch leren omgaan met gevaren is belangrijk. De filosoof/theoloog Erik Borgman schreef in dat verband: ‘Er zijn vijanden in de natuur, maar daarom is de natuur nog geen vijand.’ In: Elzinga/Hogenhuis (red.), Grond onder onze voeten (Kampen 1997).

Overgewicht
In het deeladvies ‘Natuur en Gezondheid’ aan de regering van de Gezondheidsraad en de Raad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronderzoek uit 2004 worden vijf mechanismen benoemd. Een daarvan is groen en overgewicht. Men acht het voldoende bewezen dat groen in de buurt bijdraagt aan de preventie van overgewicht. (Bron: www.rmno.nl). In het tweede deeladvies dat in 2007 uitkomt, worden concrete maatregelen voorgesteld om met dit gegeven aan de slag te gaan. Zie ook: Kees Both, ‘Kinderen in beweging.’ In: De Wereld van het Jonge Kind, december 2005, en Vreke et al., Potenties van groen; de invloed van groen in en om de stad op overgewicht bij kinderen en op het binden van midden- en hoge inkomens aan de stad. Alterra-rapport 1356 (Wageningen 2006).

ADHD
In Nederland worden er ongeveer 40.000 kinderen behandeld voor ADHD. Op grond van buitenlands onderzoek wordt het totale aantal geschat op 60.000 tot 100.000, oftewel 3% tot 5% van de kinderen tot 16 jaar. Van de jongvolwassenen heeft 1% tot 3% ADHD. Het aantal kinderen met ADHD is de laatste 20 jaar niet toegenomen. ADHD wordt wel steeds beter herkend bij kinderen. Daardoor zijn er meer kinderen die behandeld worden voor ADHD. (Bron: Trimbos-instituut, www.trimbos.nl).
Wat betreft het verband tussen gezondheid en natuur(beleving) blijft men in Nederland vrij sceptisch. Zo zegt Agnes van den Berg in Jeugd, natuur en gezondheid (2007): ‘In totaal werden negen sleutelpublicaties geselecteerd die voldeden aan een aantal minimumeisen voor methodologische kwaliteit en relevantie. Vier studies hadden betrekking op de invloed van natuur op het cognitief-emotioneel functioneren, impulsief gedrag en ADHD. Van deze studies werden er drie als zwak beoordeeld, en één als medium. Vijf studies hadden betrekking op de invloed van natuur op het motorisch functioneren, speelgedrag, beweging en overgewicht/obesitas. Hiervan werden er drie als medium, en twee als medium/sterk beoordeeld. Er is dus op dit moment iets meer bewijskracht voor een positieve invloed van natuur op het motorisch functioneren van kinderen en hieraan gerelateerde risicofactoren en ziekten zoals lichamelijke inactiviteit en obesitas (de “bewegingsroute”), dan voor een positieve invloed van natuur op het cognitief functioneren van kinderen en hieraan gerelateerde risicofactoren en ziekten zoals impulsief gedrag en ADHD (de “aandachtsroute”).
Opvallend is dat al het gecontroleerde onderzoek tot nu toe gericht is op de gezondheidsvoordelen van groen in de dagelijkse leefomgeving van kinderen, er is nog geen wetenschappelijke onderbouwing voor de gezondheidsvoordelen van contact met natuur verder weg. Een andere duidelijke witte vlek in het bewijsmateriaal betreft de kennis over de preventieve en curatieve invloed van natuur op andere soorten ziekten en medische klachten dan ADHD en obesitas, zoals pijn, kanker, astma, depressie en ongelukken.’
In een deeladvies aan de regering van de Gezondheidsraad en de Raad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronderzoek (2004) wordt een voorzichtige toon gekozen: ‘De commissie vindt de aanwijzingen uit empirisch onderzoek naar de gunstige invloed van natuur op ontwikkeling van kinderen nog niet overtuigend, maar wel van groot belang. Zij beveelt daarom nadere empirische toetsing aan.’ (Bron: Natuur en Gezondheid, Gezondheidsraad/rmno, 2004).
In het deeladvies, dat in 2007 wordt uitgebracht aan drie ministeries (vws, lnv en vrom) is de toon wat minder voorzichtig geworden. De drie raden (Raad voor Gezondheids Onderzoek, Raad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronderzoek en Raad voor het Landelijk Gebied) stellen dat weliswaar meer onderzoek wenselijk is, maar dat de aanwijzingen sterk genoeg zijn om met het gegeven dat natuur goed is voor de gezondheid (voor kinderen en volwassenen) aan de slag te gaan.

Voor practici in het onderwijs werd over het onderzoek op dit terrein en de bruikbaarheid daarvan in de school bericht in: Kees Both, ‘Natuur als bondgenoot bij zorgverbreding.’ In: De Wereld van het Jonge Kind, maart 2007. Tevens te vinden op www.springzaad.nl.

Info
Zie www.natuurvoormensen.nl voor diverse onderzoeken en referenties.



NATUUR EN SPIRITUALITEIT

In ons land is verhoudingsgewijs weinig aandacht voor de relatie natuur-religie en nog minder met het oog op kinderen. Enkele organisaties:

  • Projectgroep Kerk en Milieu van de Raad van Kerken in Nederland. Zie www.kerkenmilieu.nl.
  • Christelijk Ecologisch Netwerk. Zie de link op de website van de Projectgroep Kerk en Milieu.
  • Franciscaans Milieuproject Stoutenburg. Zie www.stoutenburg.nl.

 
Over de spiritualiteit van kinderen, mede in relatie tot natuurbeleving werd geschreven in: Tj. van den Berk, Het numineuze (Zoetermeer 2005). D. Hay, ‘De spiritualiteit van kinderen’. In: Mensenkinderen, jrg. 14, nr. 2, maart 2002. Te vinden op www.jenaplan.nl